Het lijkt zo verleidelijk. De onderneming draait lekker, maar er zit één enorme claim in. Met procederen probeert u het onvermijdelijke uit te stellen en ondertussen zit u maar te piekeren hoe te voorkomen dat de in de afgelopen jaren opgebouwde winsten niet ineens verdwijnen als de rechter de andere partij gelijk geeft. Opeens ziet u de oplossing. We dragen alle activiteiten over aan een zusteronderneming en laten de claim gewoon achter in de oude vennootschap. Dat is dan pech voor de schuldeiser. Of toch niet?

Er bestaan vele vormen van bestuurdersaansprakelijkheid, waarbij een persoon voor de schulden van de vennootschap waarvan hij bestuurder is, aansprakelijk wordt gehouden voor schade van één of meerdere schuldeisers.

Zo heeft de Hoge Raad in 2006 al eens bepaald dat een bestuurder van een vennootschap onrechtmatig handelt tegenover een schuldeiser, als hij bewerkstelligt of toelaat dat die vennootschap haar verplichtingen niet nakomt en ter zake ook geen verhaal biedt en hem daarvan een ernstig verwijt treft. Recentelijk (april 2014) heeft de Hoge Raad deze norm nog eens bevestigd.

In deze zaak moest een B.V. ruim € 500.000,- betalen. Vervolgens hevelde de B.V. haar activiteiten over aan een zustermaatschappij zonder een voorziening te treffen voor de vordering van € 500.000,- bij de oude B.V.. Die kon vervolgens de vordering niet betalen. Daarop werd het bestuur van de B.V. aangesproken tot vergoeding van de schade als gevolg van het feit dat de B.V. de schuldeiser niet had betaald, zij de overdracht van de activiteiten had bewerkstelligd en aldus de hierboven beschreven norm hadden geschonden. Het bestuur verweert zich met het argument dat de B.V. een (kleine) tegenvordering had.

Volgens het gerechtshof moest het bestuur er vlak vóór de overdracht van de activiteiten ernstig rekening mee houden dat de B.V. nog een aanzienlijk bedrag aan haar schuldeiser moest betalen. Desondanks heeft zij met de overdracht van de activiteiten ingestemd zonder voor die schuld een voorziening te treffen. Het hof acht daarbij ook van belang dat de B.V. op het moment van de overdracht nog wel voldoende middelen bezat om de vordering van haar schuldeiser te voldoen, maar daarna niet meer. Het bestuur heeft aldus bewerkstelligd, dan wel toegelaten dat de vennootschap de betalingsverplichtingen niet kon nakomen, aldus het hof.

De Hoge Raad is het met het hof eens en voegt daar aan toe dat voldoende is dat de bestuurders ten tijde van het hen verweten handelen of nalaten ernstig rekening hadden moeten houden met de mogelijkheid dat ondanks de gestelde tegenvordering een vordering op de vennootschap zou resteren. De veroordeling op de bestuurders in privé blijft in stand.

Wellicht de volgende keer toch maar proberen te schikken?