Een werknemer is langer dan twee jaar ziek. De werkgever heeft aan het UWV toestemming gevraagd om de arbeidsovereenkomst met de werknemer op te zeggen. Na toestemming van het UWV heeft de werkgever de arbeidsovereenkomst opgezegd.

De werknemer had nog recht op uitbetaling van openstaande vakantiedagen. De werkgever heeft deze dagen uitbetaald, gebaseerd op 70% van het loon, te weten salaris en vakantietoeslag, van de werknemer. Het loon van de werknemer gedurende het tweede ziektejaar bedroeg immers ook 70% van het salaris en vakantietoeslag. De werknemer was het hier niet mee eens. De werknemer meende dat hij de waarde van een vakantiedag 100% van het loon bedroeg.

De kantonrechter Rotterdam heeft op 7 maart 2014 een uitspraak gedaan. De kantonrechter oordeelde dat de waarde van vakantiedagen dient te worden gebaseerd op het gehele tussen de werkgever en de werknemer terzake van de bedongen arbeid overeengekomen loon. Het gaat erom dat tijdens de vakantie de werknemer ook gewoon het loon krijgt doorbetaald. De kantonrechter stelde dat in de wetsgeschiedenis ook geen aanknopingspunten zijn te vinden dat de waarde van een vakantiedag bij het einde van de arbeidsovereenkomst lager dan 100% van het loon dient te zijn.

Indien de wetgever bovendien had beoogd dat in geval van arbeidsongeschiktheid slechts aanspraak zou bestaan op vakantie met behoud van 70% van het loon, dan had het volgens de kantonrechter voor de hand gelegen dit expliciet in de wet op te nemen. In de wet is hier hierover niets geregeld. Ook uit onder meer de jurisprudentie van het Europese Hof valt af te leiden dat het recht op jaarlijkse vakantie met behoud van 100% loon een belangrijk beginsel van sociaal recht van de Unie is, reden te meer voor de kantonrechter om de werknemer in het gelijk te stellen. De werkgever diende dan ook de niet opgenomen vakantiedagen uit te betalen op basis van 100% van het loon van de werknemer.