Ondernemen is proberen om nieuwe kansen te scheppen. Wie daarvoor de financiële middelen niet heeft, kan proberen om een krediet af te sluiten. Aan nieuwe kansen zijn meestal ook nieuwe risico’s verbonden. Als dat gunstig uitpakt, is een nieuwe markt aangeboord, maar als het niet goed uitpakt dan rijst de vraag hoe het krediet kan worden afgelost. Bij een beperkte kredietfaciliteit is dat zelden een probleem, maar als meerdere plannen zijn gefinancierd met een krediet, dan kan het problematisch worden. Onderhandelen met de schuldeisers biedt in een dergelijke situatie de kans om zelf de regie te houden, en met name ook de onderneming zelf te behouden. Soms is ook dat een gepasseerd station.

Onlangs kwam een zaak voor de rechter waarin de uiterste consequentie moest worden getrokken, namelijk een aanvraag tot schuldsanering. Dat kan zolang de onderneming niet in de vorm van een rechtspersoon wordt gedreven, want voor een rechtspersoon bestaat uitsluitend het middel van een faillissementsaanvraag.

Wie als (ex)-ondernemer zijn schuldenlast wil laten saneren via de rechter heeft een bewijslast. Hij moet aannemelijk maken dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten van zijn schuldenlast. Recent werd een ex-ondernemer door de rechter verweten dat hij te lang zijn eenmanszaak had voortgezet toen hem al duidelijk had moeten zijn dat het bedrijf – door een wijziging in de verkeerssituatie – in een isolement was geraakt er dat er weinig of geen perspectief meer in zat. Hij leende voortdurend bij om het hoofd boven water te houden en om te proberen om nieuwe kansen te scheppen. Door uitbreiding van zijn assortiment trachtte hij meer klanten te trekken op de oude locatie die niet meer ‘in de loop lag’. Risico’s nemen is natuurlijk eigen aan ondernemen en moet op zichzelf positief gewaardeerd worden, ook als het tij tegenzit. Tenslotte is de onderneming ‘het eigen kindje’ dat je niet zonder slag of stoot opgeeft. En ondernemers staan nu eenmaal positief in het leven ten aanzien van het eigen kunnen en de mogelijke kansen. Maar het wordt anders vanaf het moment waarop een prudent handelend ondernemer behoort in te zien dat de verwachting niet meer realistisch is dat die verdere investeringen kunnen worden terugverdiend en dat aanvullende kredieten niet meer kunnen worden afgelost. Dan slaat ondernemingszin om in schuldeisersbenadeling en dan wordt het nemen van risico’s tot doormodderen tegen beter weten in.

Toen de verkeerssituatie zich wijzigde door toedoen van de gemeente, had een goed ondernemer zakelijke consequenties behoren te trekken uit deze onomkeerbare situatie. De rechter suggereert dat hij had kunnen overwegen om zijn bedrijf elders te vestigen, waar wel voldoende aanloop zou zijn, dan wel de onderneming te sluiten. Zeker nu hij als directeur van zijn vennootschap eerder betrokken was geweest bij een faillissement, had men van hem meer ervaring en voorzichtigheid mogen verwachten, aldus de rechtbank. Het lag ook niet voor de hand om in een dergelijke situatie nog langjarige reclamecontracten aan te gaan, nieuwe kantoormeubelen aan te schaffen en een nieuw leasecontract te sluiten voor een eigen bedrijfsauto. Of men nu handelt als particulier of als ondernemer, eigenlijk luidt het criterium in beide typen gevallen dat schulden niet te goeder trouw zijn aangegaan indien op dat moment van aangaan van de verplichting, gelet op het inkomen en/of vermogen van de verzoeker, redelijkerwijs geen uitzicht bestond op de aflossing daarvan. Wie daar te lichtzinnig in handelt, neemt bewust de kans op benadeling van de schuldeisers.