Als een aanbod te laat aanvaard wordt, komt de overeenkomst alleen op basis van art. 6:223 BW tot stand wanneer het de aanvaardende partij niet duidelijk was of hoefde te zijn, dat deze aanvaarding te laat was.

Feiten en procesverloop

De exploitant van een eenmanszaak in dameskleding [A] (hierna: de winkelier) werd in oktober 2008 benaderd door [B] (hierna: de lessor) om een lcd-scherm voor reclamedoeleinden in haar winkel te plaatsen. Door de lessor is haar een aanvraag voor een lease-overeenkomst verstrekt, die zij heeft ondertekend. Hierin stond dat zij aan dit aanbod (deze aanvraag) vier weken lang gebonden zou blijven. Bij aflevering van het lcd-scherm ondertekende zij de afgiftebevestiging, waarin stond dat hierbij – voor zover nog niet geaccepteerd – de lease-aanvraag opnieuw werd ingediend, aan welk aanbod zij nog drie weken gebonden zou blijven. Pas bij brief van 21 november 2008 heeft de lessor het aanbod aanvaard. Dit was dus buiten de termijn waarin het aanbod geldig zou blijven, die zij zelf op de standaardformulieren had geformuleerd.

De winkelier heeft de maandtermijnen niet betaald. Op 14 oktober 2009 is meegedeeld dat de leaseovereenkomst werd ontbonden. Pas op 21 augustus 2012 werd het lcd-scherm geretourneerd.

De lessor heeft de winkelier aangesproken om de achterstallige leasetermijnen te voldoen, waaronder ook de termijnen van na de ontbinding.

Het hof oordeelde dat de overeenkomst ondanks de te late aanvaarding tot stand is gekomen, op grond van art. 6:223 lid 2 BW. De gevorderde leasetermijnen tussen de datum van ontbinding en het moment van retournering van het lcd-scherm wijst het hof toe, op basis van ongerechtvaardigde verrijking.

Totstandkoming van overeenkomsten bij te late aanvaarding

In cassatie bestrijdt de winkelier in de eerste plaats het oordeel van het hof dat de overeenkomst is ontstaan.

Een overeenkomst komt tot stand via aanbod en aanvaarding daarvan (art. 6:217 BW). Een aanbod kan in principe worden herroepen, zolang het nog niet aanvaard is (art. 6:219 BW). Dit geldt niet als in het aanbod een termijn is geformuleerd voor aanvaarding. Binnen deze termijn moet dan aanvaard worden. Als het aanbod was verlopen op het moment dat werd aanvaard, kan door art. 6:223 BW de aanvaardende partij die dat niet wist beschermd worden. Artikel 6:223 luidt als volgt:

Artikel 223

1 De aanbieder kan een te late aanvaarding toch als tijdig gedaan laten gelden, mits hij dit onverwijld aan de wederpartij mededeelt.

2 Indien een aanvaarding te laat plaatsvindt, maar de aanbieder begrijpt of behoort te begrijpen dat dit voor de wederpartij niet duidelijk was, geldt de aanvaarding als tijdig gedaan, tenzij hij onverwijld aan de wederpartij mededeelt dat hij het aanbod als vervallen beschouwt.

De Hoge Raad stelt, in navolging van A-G Wissink, voorop dat deze bepaling ertoe strekt het risico van onduidelijkheid over de tijdigheid van de aanvaarding te verdelen. In de parlementaire geschiedenis wordt gedacht aan een telegram dat er langer over heeft gedaan dan verwacht mocht worden, en bijvoorbeeld aan een termijn met een daaraan verbonden voorwaarde, zoals ‘zolang de voorraad strekt’.

Van de aanbieder kan alleen gevergd worden dat hij ‘onverwijld’ reageert op de te late aanvaarding, als hij de bij de wederpartij bestaande onduidelijkheid begreep of hoorde te begrijpen. Bescherming op basis van dit artikel is er alleen voor een wederpartij voor wie de niet-tijdigheid van haar aanvaarding niet duidelijk was, en niet duidelijk hoefde te zijn. Als zij immers wist dat de aanvaarding te laat was, is geen sprake van gerechtvaardigd vertrouwen in het tot stand komen van de overeenkomst dat beschermd moet worden.

De winkelier had gesteld dat nooit sprake kan zijn van onduidelijkheid bij de aanvaardende partij als er een duidelijke termijn in het aanbod stond en de verlate aanvaarding niet het gevolg is van een communicatiestoornis. De Hoge Raad oordeelt dat dit niet in alle gevallen zal gelden. Maar het oordeel van het hof dat op basis van art. 6:223 BW hier de overeenkomst toch tot stand is gekomen, acht de Hoge Raad onjuist of onbegrijpelijk, omdat hier de lessor zelf de tekst van haar modelcontracten met de duidelijke termijn voor aanvaarding had geformuleerd.

Het gaat hier om een uitwerking van het vertrouwensbeginsel: de partij die gerechtvaardigd mocht vertrouwen dat een overeenkomst tot stand is gekomen, wordt beschermd. Overigens kan op basis van de wilsvertrouwensleer ook in andere situaties de overeenkomst ondanks te late aanvaarding tot stand zijn gekomen, merkt A-G Wissink op, bijvoorbeeld als uitvoering is gegeven aan de overeenkomst. Daar is het hof hier niet van uit gegaan, en het beoordeelde de feiten op basis van 6:223 BW.

Ongerechtvaardigde verrijking door verlate teruggave geleasede zaak

Daarnaast was in cassatie de vraag aan de orde hoe de schadevergoeding berekend moest worden voor de periode tussen de ontbinding en de teruggave van de geleasede zaak. Het hof had de winkelier schadeplichtig geacht op grond van ongerechtvaardigde verrijking, en de schade gefixeerd op de som van de leasetermijnen over deze periode. De Hoge Raad acht dit juist indien na verwijzing wordt geconcludeerd dat de leaseovereenkomst tot stand is gekomen. Op basis van art. 7:225 BW moet de lessee of huurder die de zaak na het einde van de overeenkomst onder zich houdt, een vergoeding betalen ter hoogte van de leasetermijnen of huurprijs voldoen (de Hoge Raad verwijst hier naar HR 24 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1782, CB 2013-98).

Wanneer daarentegen na verwijzing wordt geconcludeerd dat geen leaseovereenkomst tot stand is gekomen, bestaat geen grond voor toepassing van 7:225 BW en zal opnieuw moeten worden beoordeeld of er wegens ongerechtvaardigde verrijking een schadevergoedingsplicht is.

Reflexwerking Colportagewet

Tot slot kwam in deze zaak een eventuele reflexwerking van deColportagewet (inmiddels vervallen door de inwerkingtreding van de artikelen6:230g–6:230z BW) aan de orde. De Colportagewet schreef onder meer vormvoorschriften en bedenktijd voor bij overeenkomsten tussen handelaren en particulieren, die door een huisbezoek gesloten werden. Het hof had deze reflexwerking niet aangenomen, en de Hoge Raad laat dit in stand. Voor een analoge toepassing of reflexwerking van de wet op ‘kleine ondernemers’ is geen plaats. Deze groep is lastig af te bakenen, en door de vormvoorschriften alsnog op hen van toepassing te verklaren zou onduidelijkheid ontstaan over de totstandkoming van overeenkomsten.

De Hoge Raad vernietigt het arrest en verwijst naar het Hof Den Bosch.

Bron: Cassatieblog