Als iemand zaken doet met een vennootschap die deel uitmaakt van een groter concern is het verstandig om in het handelsregister te controleren of de moedervennootschap een verklaring heeft ingeschreven, dat zij zich aansprakelijk stelt voor alle schulden van de dochtervennootschap, de zogenaamde ‘403-verklaring’. Dat biedt meer zekerheid voor de betaling van de facturen. Hoewel opletten geboden blijft. De ‘403- verklaring’ wordt afgegeven indien binnen het concern een geconsolideerde jaarrekening wordt opgesteld. De financiële cijfers van de dochtervennootschappen worden geïntegreerd in de jaarrekening van de moedervennootschap. Dat betekent dat een dochtervennootschap geen eigen jaarrekening hoeft te publiceren. Dat betekent ook dat de crediteuren geen inzicht wordt geboden in het reilen en zeilen van zo’n dochtervennootschap.

Als tegenprestatie eist de wet dat de moedervennootschap een verklaring afgeeft dat zij zich aansprakelijk stelt voor de verplichtingen van de dochtervennootschappen. Die aansprakelijkheid geldt dan voor vorderingen die voortvloeien uit rechtshandelingen die door de dochtervennootschap zijn aangegaan, nadat de moedervennootschap de ‘403-verklaring’ heeft ingeschreven. Trekt een moedervennootschap de ‘403-verklaring’ weer in, dan zal zij dat ook moeten inschrijven. Vanaf dat moment moet de dochtervennootschap natuurlijk weer de eigen jaarrekening publiceren.

Welke vorderingen door de ‘403-verklaring’ worden gedekt, laat zich met de bovenstaande tijdslijn als volgt uitleggen. X is de datum waarop de ‘403-verklaring’ ingaat en Y is de datum waarop de verklaring wordt ingetrokken. Vordering 1a vloeit voort uit een rechtshandeling (bijvoorbeeld overeenkomst) die voor de datum X ligt. Vorderingen voor de datum X zijn niet gegarandeerd.

Vordering 1b vloeit voort uit een rechtshandeling die weliswaar voor datum X is aangegaan, maar de vordering (factuur) is ontstaan na datum X. Vordering 1b is wel gedekt.

Maar vordering 1c is ontstaan na de intrekking op datum Y en dat betekent dat die vordering niet is gedekt.

Vordering 2a vloeit voort uit een rechtshandeling die is aangegaan tijdens de aansprakelijkheidsperiode. Deze vordering is volledig gedekt.

Vordering 3 is ontstaan uit een rechtshandeling die werd aangegaan na de intrekkingsdatum Y en dus niet gedekt.

Interessant is vordering 2b. Deze vordering is ontstaan uit een rechtshandeling, die werd aangegaan tijdens de aansprakelijkheidsperiode. De vordering is echter opgekomen na datum Y. Een goed voorbeeld is een huurovereenkomst. De huurovereenkomst werd aangegaan tussen X en Y. Vordering 2b zijn dan de vervallen huurtermijnen na datum Y.

Men noemt dit ‘overblijvende verplichtingen’. De moedervennootschap komt niet zomaar van haar aansprakelijkheid voor dit soort vorderingen af. Daarvoor moeten vier cumulatieve stappen worden gezet:

  • de binding tussen moeder en dochter moet zijn verbroken;
  • de intrekking van de aansprakelijkheidsverklaring moet worden ingeschreven in het handelsregister;
  • de intrekking van de aansprakelijkheidsverklaring moet ook worden gepubliceerd in een landelijk dagblad;
  • er verstrijken twee maanden zonder dat een of meerdere crediteuren zich verzetten tegen de intrekking of de rechtbank wijst het ingestelde verzetschrift af’.

Indien een crediteur zaken doet met een dochtervennootschap waarvoor een ‘403-verklaring’ is ingeschreven, dan weet de crediteur dat niet alleen verhaal bij de dochtervennootschap te halen is, maar ook bij de moedervennootschap. Maar de crediteur die een overeenkomst sluit waaruit langdurige financiële verplichtingen voor de dochtervennootschap ontstaan, zal van tijd tot tijd moeten controleren of de ‘403-verklaring’ nog steeds geldt.

(Uit nieuwsbrief van december 2012)